Een rebelse tiener.

Deze boodschap is in het bijzonder voor alle tieners en jonge mensen van Nederland. In 1 Samuël 17:32 staat: ‘David zei: ‘Wees niet bezorgd over deze Filistijn. Ik zal met hem afrekenen.’’

Beste tieners, jonge mensen, David uit de Bijbel was een gewone tiener zoals jij. David hield, misschien zoals jij, van de meiden. Hij hield van muziek. In feite heeft David heel veel gave liedjes geschreven in zijn tijd. Zijn nummers zouden vandaag nummer 1 op de hitparade staan. Zijn muziek was heel erg vernieuwend in zijn tijd. Ik denk dat hij, als hij vandaag geleefd zou hebben met zijn liedjes, ook een bijnaam zou hebben gehad, zoals: ‘King of Rock’ of ‘King of Pop’. Maar ik denk eerder: ‘Koning van het levenslied’. Maar David wist ook heel goed hoe hij de volumeknop op zacht moest en kon draaien om de stem van de levende God in zijn leven te horen. David had al heel jong geleerd om zijn stand voor de levende God in te nemen en om alleen te staan wanneer zijn vrienden hem wilden verleiden om mee te doen aan hun activiteiten. David wist wat het betekende om de tegenwoordigheid van de levende God in zijn leven te hebben. Met andere woorden: hij had zijn geloof in de levende God gevonden.

Toen er eens een leeuw en een beer de schapen wilden roven van zijn vader, waarover hij de wacht hield, voelde hij de Geest van God binnen in zich. Ik zal je vertellen: je kan de Geest van God voelen in je binnenste. Dit maakte dat hij met gevaar voor eigen leven de strijd aanging met die beer en die leeuw. Door de kracht van God die over hem kwam, doodde hij die beer en die leeuw met zijn blote handen. Toen David nog een tiener was, was zijn land in oorlog met de vijand, genaamd de Filistijnen. Het was een onrustige en chaotische tijd. Er was bitterheid en haat. En de leiders waren vol van angst en vrees. Zij deden helemaal niets dan alleen maar wachten, wachten en nog eens wachten. Er gebeurde niets.

Op een zeker moment stond het hele leger van zijn land bij een groot dal tegenover de vijand. De situatie was namelijk als volgt: aan de ene kant van het dal, op een berg, stonden de Israëlieten, ofwel het volk van David. Aan de andere kant van het dal, op een berg, stonden de Filistijnen, ofwel de vijanden van David en het volk van Israël.

‘Het dal lag tussen beide kampen in, zodat de Filistijnen en de Israëlieten elkaar konden zien. Op een dag kwam Goliath, een kampvechter uit Gath, uit het Filistijnse kamp gelopen tot hij binnen gehoorsafstand van de Israëlitische troepen was. Hij was een reusachtige man met een lengte van bijna drie meter! Hij droeg een koperen helm, een koperen borstpantser van vijfenvijftig kilo en koperen beenkappen. Ook had hij een koperen speer van enige centimeters dik bij zich. De speerpunt was van ijzer en woog meer dan zes kilo. Voor hem uit liep zijn wapenknecht met een reusachtig schild. Hij bleef staan en schreeuwde naar de Israëlieten: ‘Zouden jullie wel optrekken en vechten? Ik vertegenwoordig de Filistijnen, kiezen jullie uit de mannen van Saul ook een vertegenwoordiger, dan zullen wij dit in een man-tegen-man gevecht uitvechten! Als jullie man erin slaagt mij te doden, zullen wij jullie slaven worden! Maar als ik hem dood, moeten jullie onze slaven worden! Ik daag de legers van Israël uit! Stuur mij een man die tegen mij wil vechten!’ Toen Saul en zijn mannen dit hoorden, raakten zij ontmoedigd en werden bang.’ – 1 Samuël 17:3-11

Met een jong, gezond verstand en geloof in de levende God in zijn hart, stond kleine David voor koning Saul. En hij zei: ‘Koning, wees maar niet bang. Ik zal met die reus afrekenen.’ Jonge mensen, weet je hoe dit uit de mond van zo’n tiener klinkt? Dat klinkt heel rebels. Om voor de koning te staan en te zeggen: ‘Wees maar niet bang, koning. Ik reken wel met die reus af.’ Luister jonge mensen, David was een rebelse tiener. Hij rebelleerde tegen de status quo in zijn tijd en van zijn land. Dat wil zeggen: hij rebelleerde tegen de toestand waarin zijn land, leger, koning en zijn broers in dat leger zich bevonden. Om diezelfde reden rebelleren ook vandaag heel veel tieners en jonge mensen in ons Nederland.

Israël en de Filistijnen waren in oorlog. En Davids vader, Isaï, had David naar het front gestuurd om te kijken hoe met zijn oudere, grotere, sterkere broers, de zonen van Isaï, ging en hoe het met de strijd ging. En toen David daar aankwam, zag hij alleen maar angst en vrees, onzekerheid, chaos, verwarring, ontmoediging, bangheid, en een status quo van: ‘Houd maar op. Nee, dit gaan wij niet winnen. We kunnen ons net zo goed al meteen overgeven, inpakken en naar huis gaan, want dit gaat niet lukken. Dit gaat hem niet worden.’ Zelfs koning Saul, die met kop en schouders boven de mannen van het leger uitstak – zo lang was koning Saul – was bang en deed niets dan alleen maar afwachten. En kleine David werd hier niet goed van. Hij kon het gewoon niet verdragen in zijn binnenste. Hij vond dat de oudere generatie hem teleurstelde. Hij vond dat ze gebrek hadden aan moed. Hij vond dat ze een slappe houding hadden. Hij vond dat niets doen en afwachten maar niets. Dat verstoorde zijn denkwereld; hoe hij was en hoe hij dacht. En het verstoorde zijn denkwereld hoe het eigenlijk zou moeten zijn. Het was niet zijn oorlog; het was hun oorlog. De oorlog van zijn oudere broers, de oorlog van de koning, de oorlog van het leger. Maar zij deden helemaal niets om het op te lossen, dan alleen maar afwachten, bang zijn, klagen, mopperen, negatief praten, negatief denken en negatief nieuws verspreiden: ‘Dit gaan wij niet winnen. Dit gaat niet lukken. Dit wordt hem niet. Dit is niets. Hier komen we niet doorheen. Hier komen we niet uit.’

En daarom, vertelt de Bijbel ons, begon David vragen te stellen. Dat doen vandaag ook een heleboel tieners die met vragen rondlopen. Tieners die mij ook schrijven. David begon vragen te stellen. Hij zei: ‘Wie is die goddeloze, lelijke reus met die grote bek, die de levende God besmeurt en Zijn legers?’ De soldaten keken David aan en zeiden: ‘Maar weet je dat dan niet? Zie je dat dan niet? Dat is Goliath, de reus. Heb je die handen van hem gezien? Heb je die spieren van hem gezien? Die schouders.’ En David reageerde: ‘Ja, nou en?’ Zo kunnen tieners ook reageren. ‘Nou en? Wat dan nog?’ Hij zei: ‘Jullie zijn allemaal schijterds. Jullie durven helemaal niets. Wie is die reus dan? Hij praat gemeen en raar over de levende God, mijn God die ik dien, onze God.’ En zijn oudere broers, Abinadab en Eliab, hoorden David zo praten en werden boos op zijn opschepperigheid. Ze zeiden: ‘Hé Dave, moet jij niet op die paar kleine schaapjes van papa letten, daar op dat heuveltje waar je altijd zit? Moet je daar niet heen? Je bent een hoogmoedige opschepper. Je denkt heel wat van jezelf. Je hoort hier niet. Ga lekker naar huis.’ Maar David reageerde: ‘Wat heb ik nu weer verkeerd gedaan? Ik vraag alleen maar waarom jullie niets doen. Dat is eigenlijk wat ik vraag. Waarom niemand wat doet aan die grote bek van die lelijke reus, daar in dat dal, die alleen maar loopt te vloeken en te schelden. Waarom zeggen jullie daar niets van? Waarom doen jullie allemaal niets?’ En zijn broers duwden David de heuvel af. Maar David liet zich niet stoppen. Overal vroeg hij: ‘Waarom doen jullie niets? Ik begrijp het allemaal niet. Hoor je dat dan niet? Er gebeurt niets. Niemand doet wat.’ Toen de soldaten eenmaal doorhadden wat kleine David bedoelde, en het aan koning Saul vertelden, liet koning Saul hem halen en voor zich brengen. En dan zegt David waar we mee begonnen: ‘Koning, wees maar niet bang. Ik zal met die reus afrekenen.’ Nu had David ook op een hele negatieve manier kunnen rebelleren. Hij had ook kunnen zeggen – en dat doen er vandaag een hele hoop: ‘Nou, dat is jullie probleem. Los het lekker zelf op. Zoek het lekker zelf uit. Toedeledoki! Bekijk het maar. Op mij hoef je niet te rekenen. Ik zorg wel voor mezelf en jullie bekijken het maar.’ Maar in plaats daarvan rebelleerde kleine David op een positieve manier. Met andere woorden: David rebelleerde tegen de angst, de vrees, de verwarring, de bangheid, de ontmoediging, het gebrek aan moed, het gebrek aan geloof in de levende God. Hij rebelleerde tegen het nietsdoen, het afwachten, de status quo. En David zei: ‘Als jullie het niet doen, dan doe ik het!’

Koning Saul keek naar David en zei: ‘Ach jongen, je weet niet wat je zegt, broekie. Vergeleken bij die knots van een reus die al zijn hele leven in het leger zit, ben jij nog een klein broekie, man.’ Maar David hield voet bij stuk. ‘Meneer de koning, toen ik een keer in het veld de schapen van mijn vader aan het hoeden was, kwam er een leeuw en een beer en die wilden de schapen van mijn papa wegroven. Maar de Geest van God kwam over mij en was in mij en ik ben die leeuw en die beer achterna gegaan. En met mijn blote handen heb ik die leeuw en die beer gedood. En zoals de levende God toen met mij was, zo zal de levende God met mij zijn als ik optrek tegen die lelijke reus vandaag.’

De oudere generatie stond erbij, hoorde wat David allemaal zei, en begreep er helemaal niets van. En diezelfde oudere generatie vandaag zullen hier ook niets van begrijpen. Maar koning Saul begreep het. Koning Saul geloofde in David. En hij zei: ‘Er is niemand in de hele wereld die het tij voor ons kan keren. Er is niemand in de hele wereld met zo’n groot geloof in de levende God als deze met Gods Geest vervulde rebelse tiener.’ Dat is wat koning Saul over David zei. Jonge mensen, ook vandaag heeft ons Nederland zulke tieners nodig, die op een positieve manier rebelleren tegen de machten van zonde, ziekte, demonen en angst en vrees. Wat wij vandaag in ons Nederland nodig hebben, zijn rebelse tieners die durven te staan en te zeggen: ‘Ik neem mijn stand in voor de levende God. En ik dien de Koning der koningen en de Heer der heerscharen, Jezus Christus van Nazareth. Ik schaam mij het evangelie niet.’ Dat zijn de rebelse tieners die wij vandaag in Nederland nodig hebben.

Hierna gaf koning Saul aan David zijn wapenrusting. Heel zwaar, heel groot, heel mooi. Maar David zei: ‘Ik kan mij niet bewegen in die wapenrusting.’ En hij trok alles weer uit. Jonge mensen, luister: jullie hebben helemaal niets nodig wat de wereld jullie aanbiedt om een goeie tijd te hebben in deze wereld. Helemaal niets. Er is een veel betere manier om een goeie tijd te hebben, en dat is Gods manier, Gods weg in je leven. En alles wat je hoeft te doen, is je hart te openen voor de levende God en Zijn Zoon, Jezus Christus van Nazareth. Dan zal Gods Geest je de ervaring van je leven geven. En dat niet één keer, maar elke dag, keer op keer, opnieuw en opnieuw. Probeer het maar eens.

David was klaar om de strijd met Goliath aan te gaan. Maar niet op de manier zoals de meesten dat doen. En ook niet de oudere generatie. Nee, David was vol van geloof in de levende God, vol van Gods Geest, en vol van Gods kracht in zijn leven. David had een slinger, een steentje en het geloof dat de levende God met hem was en hem de overwinning zou geven, net als over die leeuw en die beer. Vanbuiten klein, maar vanbinnen beresterk. Vanbinnen was David groter dan de reus Goliath. Dat wil zeggen: binnen in kleine David zat de overtuiging tussen goed en kwaad. Binnen in kleine David zat een rein hart dat geen compromis wilde maken met de wereld en de wereldse dingen. Jonge mensen, God zoekt ook vandaag zulke jonge mensen en tieners, net als kleine David hier in de Bijbel. Misschien klein, ofwel niet sterk vanbuiten, maar beresterk vanbinnen. Tieners, jonge mensen die hun stand durven in te nemen voor de levende God en de Goliaths van deze wereld tegemoet durven te treden en naar beneden durven te halen.

Je zult nooit weten wat het betekent om een Goliath in je leven te verslaan, totdat je een beslissing in je leven neemt, totdat je een keuze maakt, totdat je je stand inneemt en totdat je eropaf gaat, ofwel Goliath gaat confronteren. Goliath vertegenwoordigt alles en iedereen in je leven wat tussen jou en God in wil staan. Alles wat jou wil vernietigen; alles wat jou wil binden of verslaven, tot een gevangene wil maken; alles wat jou van Gods weg wil afbrengen, om je eigen weg te gaan en niet die van God. Als jij vandaag op het punt staat in jouw leven om je ziel voor een van deze dingen te verkopen, dan ben ik op tijd om te zeggen tegen jou: het is het echt niet waard. Misschien dat papa en mama dat al tegen jou hebben gezegd, en je hebt het niet willen aannemen. Maar ik zeg tegen jou: het is het niet waard. Is er een Goliath in je leven? Dat is dan een Goliath in jouw leven die je moet confronteren en verslaan, die je moet overwinnen. En dat kan vandaag.

De Filistijnen waren in grote euforie. Wat lachten zij en wat gaven zij af op Israël, het andere leger daar. Want niemand, maar dan ook helemaal niemand, durfde hun kampioen, hun kampvechter, de reus Goliath tegemoet te treden. Zij dachten: dat is kat in het bakkie. Dat is makkelijk. Er is niemand die onze kampioen kan verslaan. Maar dan zien ze plotseling een kleine jongen, een tienerjongen, het dal in lopen. En dit is wat er gebeurt.

‘Toen nam hij zijn stok, pakte vijf gladde kiezelstenen uit een beekje en deed die in zijn herderstas. Zo ging hij op Goliath af, slechts gewapend met zijn slinger. Goliath kwam ook naar voren, luid commentaar gevend op dat jonge ventje met zijn rossige haar. ‘Ben ik soms een hond,’ donderde hij tegen David, ‘dat je met een stok op mij afkomt?’ En hij vervloekte David in de naam van zijn goden. ‘Kom maar eens hier, dan zal ik je vlees aan de vogels en de wilde dieren geven,’ brulde Goliath. David riep ten antwoord: ‘U komt op mij af met een zwaard, een speer en een schild, maar ik kom in de naam van de HERE van de hemelse legers en van Israël, dezelfde God die u hebt beledigd. De HERE zal u vandaag overwinnen. Ik zal u doden en uw hoofd afhakken, de lijken van uw mannen zal ik aan de vogels en de wilde dieren geven. De hele wereld zal weten dat er een God is in Israël! En iedereen hier zal weten dat de HERE niet afhankelijk is van wapens om zijn plannen uit te voeren, onze God heeft de strijd volledig onder controle! Hij zal u in onze macht geven!’ Terwijl Goliath dichterbij kwam, rende David hem tegemoet. Al lopend pakte hij een kiezelsteen uit zijn herderstas en deed die in zijn slinger. Hij slingerde de kiezel weg en raakte de Filistijn op het voorhoofd. De steen drong de schedel binnen en de man viel met zijn gezicht op de grond. Zo versloeg David de Filistijnse reus met een slinger en een kiezelsteen. Omdat hij geen zwaard had, rende hij naar Goliath, doodde hem met zijn eigen zwaard en hakte zijn hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun beste kampvechter dood was, draaiden zij zich om en sloegen op de vlucht.’ – 1 Samuël 17:40-51

Jonge mensen, tieners, velen van jullie zullen vandaag denken: ja, maar ik ben nog zo jong. Toen ik een tiener was, zongen we: ‘Eens was ik onverschillig. Ik vroeg niet naar de Heer. Maar Hij zocht mij in liefde en … Maar ik zei: Nee, nee, nee, ik ben nog jong genoeg, het is nog veel te vroeg. Aan die godsdienst doe ik niet mee.’ Dan praat je over 40 jaar geleden. Maar dan zegt ook het liedje: ‘Maar halleluja, nu ben ik een kind van God, nu is mijn levenslot in handen van mijn God. Hij geeft mij levensperspectief.’ Misschien zeg je wel vandaag: ‘Ik ben nog jong. Het is nog veel te vroeg. Ik heb tijd zat om God te dienen, te gehoorzamen en te volgen in mijn leven. Dat is saai. Dat is voor oude mensen. De Bijbel is voor oude mensen. De kerk is voor oude mensen. God is voor oude mensen.’ Misschien denk je wel: papa en mama begrijpen mij niet. Elke keer hebben zij tegen je gezegd: ‘Jongen/meisje, God heeft Zijn hand op jou. God wil jou gebruiken. God houdt van jou.’ En jij dacht altijd: papa en mama begrijpen mij niet. Maar jonge mensen, Regina en ik hebben speciaal voor jou gebeden dat deze boodschap je ogen mag openen, je hart mag openen. Dat je nu een helder moment mag hebben, waar de Geest van God tot jouw hart, tot jouw denken mag praten. En dat je een deel wordt van de oplossing in je leven, en niet van het probleem. Dat je vandaag door mij heen Jezus mag zien en horen spreken. Dat je Hem mag horen zeggen: ‘Ik houd van jou. Ik heb jou lief. Ik heb Mijn hand op jou. Ik wil jou gebruiken, net als kleine David, in Mijn dienst. Ik heb jou geroepen. Ik heb jou uitgekozen. Ik wil dat je Mij volgt. Ik wil dat je Mij dient. Ik wil dat je een beslissing in je leven maakt om voor Mij je stand in te nemen. En om jouw hart, jouw denken, jouw leven aan Mij te geven.’

En als je dat vandaag ook wilt, wil ik jou helpen om een handeling van jouw geloof te doen. Dat kun je doen door heel eenvoudig door het volgende gebed met mij mee te bidden:
‘Vader in de hemel, ik dank U vandaag voor Uw grote liefde en genade. Here, U ziet al die jonge mensen die dit gebed meebidden, die een verlangen in hun hart hebben om U ook te dienen, te volgen en te gehoorzamen. Om net als kleine David hun stand voor U in te nemen, en om de reuzen, de Goliaths, te verslaan in de wereld en in hun leven. Heer, ik weet dat zij dit niet alleen kunnen. Zij hebben Uw kracht nodig, net als kleine David. En zo vraag ik U vandaag: wilt U hen vervullen met Uw kracht. Als zij hun leven, hun hele denken, hun hele wezen, nu aan U geven, wilt U hen dan vervullen met Uw liefde, met Uw genade, en laat Uw Geest dan ook over hen komen, nu op dit moment. Dat zij hun stand durven in te nemen, ook onder hun vrienden en familieleden, die hier misschien niets van willen weten of geloven. O God, geef hen vandaag de kracht, zoals U David ook kracht gaf. Geef hen allemaal de kracht om hun stand in te nemen en om U te gehoorzamen en te volgen zoals U het wilt. Heer, dat U hen allemaal mag gebruiken als een instrument in Uw handen om de Goliaths van deze wereld en in hun leven te verslaan. Dat U hen nu vrijmaakt van die gebondenheden en veslavingen. Here, dat U hen de waarheid laat zien van Uw Woord; dat U een goede God bent, dat U trouw en barmhartig bent en dat U hen roept in Uw dienst. Heer, ik bid dit, ik vraag dit en ik dank U dat U dit zult doen en dat we vele getuigenissen mogen horen van tieners en jonge mensen die hun stand voor de levende God willen en durven in te nemen. In de naam van Jezus Christus. Amen.’

Ga nu naar nieuwlevenonline.nl voor de nieuwste updates!

Word abonnee

 

Delen